Reisverhaal «Karma kuisen met Krishna (Joeri)»

Southeast-Asia | Maleisië | 0 Reacties 15 Maart 2015 - Laatste Aanpassing 01 April 2015

Arnaud speelt bluesdeuntjes terwijl de zon ondergaat. Ik lig in zijn hangmat naar de bergen te staren. Zwarte rookpluimen aan de horizon. Ze branden weer regenwoud plat. Zo verging het ook de grond waarop ik nu werk en die sinds twee jaar toebehoort aan de Hare Krishna beweging. Het 100 ha grote landgoed bevindt zich aan het einde van een lange weg door schrale heuvels, op een half uur rijden van het dichtstbijzijnde dorp Lanchang en een kleine 150 km ten noordwesten van Kuala Lumpur. Hier werken tot 30 loonarbeiders, merendeels Nepalezen en Indiërs, elf uur per dag zes op zeven tussen guava, jackfruit, starfruit en suikerriet voor kost, inwoon en 350 euro per maand. Hard gewerkt wordt er dankzij de moordende zon echter niet altijd, zeker niet door ons vrijwilligers. Wij kloppen 5 uur per dag. Ik noem het opzettelijk zo omdat er weinig creativiteit gelegd kan worden in het graven van putten, het snoeien van bomen en het plukken en verpakken van fruit. Koeien hebben ze hier ook, maar omdat een te hitsige stier vorig jaar een vrijwilliger aan zijn horens reeg, mogen we de heilige dieren enkel nog vanop afstand bewonderen. Ter afwisseling wordt er tijdens mijn verblijf wel een chipsfabriek opgestart. Op de eerste productiedag mogen alle vrijwilligers de zelf gekweekte tapioca schillen, snijden, weken, bakken, drogen, zouten en verpakken. De chips blijkt bestemd voor scholen. Obesitas komt nu ook naar Maleisië. Ik kan wel wat extra kilo’s gebruiken dus tijdens het werk stort ik me op de afgekeurde schijfjes. ’s Nachts word ik stomdronken wakker en slaag er op handen en voeten nog net in om de wc te bereiken. ’s Anderendaags blijkt dat tapioca op het internet bij de tien gevaarlijkste voedingsmiddelen gerangschikt wordt. Hare Krishna!

Tijdens de eerste week zijn we met zes vrijwilligers: de Canadezen Mel en Arnold, de Britten Sarah en Peter en als echte Europeanen ikzelf met de Zwitserse Fransman Arnaud. Die laatste noemen ze hier 'yogi' en is het meest betrokken bij de spirituele zoektocht waartoe men ons hier wil aanzetten. Het luxueuze vrijwilligersverblijf met vier kamers plus bijhorende badkamers, een gemeenschappelijke ruimte ter grootte van een balzaal met home cinema en drie Indiaas getinte veganistische maaltijden per dag (die gemiddeld slechts twee keer per week mijn maagdarmkanaal volledig ontregelen) dienen immers maar één doel: het propageren van de grootsheid van Krishna en de hoop dat we ons aansluiten of althans goed zullen spreken over de beweging en hun levenswijze. Tot dat laatste is zowat iedereen bereid, tot het eerste niemand. Zelfs Arnaud blijft ondanks het gretig lezen van de ‘Bhagavad Gita As It Is’ of het bekijken van propagandafilms kritisch: hij vindt dat de krishnas te weinig voor zichzelf denken en te gemakkelijk handelen vanuit plat eigenbelang. Zijn filosofie vertrekt eerder vanuit het aan banden leggen van het verstand. Als we op onze vrije zondag besluiten naar de met oerwoud bedekte berg aan de horizon te lopen, komt mijn ratio dan ook bij het eerste hek al in conflict met zijn intuïtie, die hem vertelt er over te kruipen, daar waar ik redeneer dat we beter de ernaast gelegen weg volgen. Een gelijk bestaat niet: mijn weg is misschien wel de snelste, maar doelgericht denken is niet meer aan Arnaud besteedt; hij leeft in het moment. Door mijn rechtlijnigheid missen we mogelijk een gevecht met een stier of schrikdraad. Voordeel is dat we na slechts vier uur stappen de rand van de jungle bereiken. Daar aangekomen rusten we voor het eerst. Het voelt aan alsof we zodra Mordor zullen betreden.

Naast Arnaud en Arnold, die beiden hun kille vaderland voorgoed hebben verlaten om in het broeierige Oosten een permacultuurproject uit de grond te stampen, wordt het gezelschap vervolledigd door Raju, een contractarbeider uit Bangladesh die naar eigen zeggen een restaurant en een car wash bezit maar toch naast ons in de aarde wroet om zijn acht medewerkers te kunnen betalen. Tijdens het verspreid eten van een stuk fruit waarschuwt hij mij voor een zwerm van tienduizenden bijen die vanuit de jungle recht op mij af vliegt. Ik moet plat op de buik gaan om ze te ontwijken. Na deze waarschuwing bedenk ik plots dat mijn padvindersplunje wel erg licht lijkt om de gevaren der jungle te trotseren. Het opgewonden geroep van wat gibbons lijken, lokt ons toch naar binnen. De apen vallen moeilijk te zien en bewegen zich verrassend snel van boom tot boom. Na een uur achtervolgen geeft iedereen het op. Koppig besluit ik nog een kilometer verder te lopen en dat is mijn geluk. Ik stuit op een bedreigde withandgibbon. Ik zal nooit de angst in zijn ogen vergeten. Toch aarzelt hij even bij het wegspringen. Hij ziet ook niet elke dag een aap met kleren aan. Als bonus slingeren er nog enkele bleekdijlangoeren voorbij. In extase keer ik terug naar de groep, maar mijn enthousiasme wordt lauw ontvangen. We zitten ergens midden in de jungle, de top van de berg is zoek en de zon is al over haar hoogtepunt heen. Gelukkig vinden we op goed geluk een pad dat ons via een rivier, bloedzuigers, kleurrijke vogels, wilde zwijnen en een verlaten nederzetting van Orang Asli, de oorspronkelijke bewoners van Maleisië, naar de uitgang leidt. De top van de berg blijft onontgonnen terrein, maar zoals goeroe Arnaud al voorspelde: om de top van een berg te kunnen bereiken moet de berg je eerst aanvaarden.

Na een tweetal weken begin ik mij tot grote vreugde van de krishnas te verdiepen in de religieuze geschriften die een prominente plaats in onze woonkamer innemen. Op donderdag vijf maart sta ik voor de dagtaak samen met Nio en twee Russische vrijwilligers zelfs om vijf uur op om de dagelijkse viering bij te wonen in de houten barak die ze hier tempel noemen. Het is een speciale dag want 529 jaar geleden tijdens volle maan verscheen Lord Caitanya, de incarnatie van Krishna en aanstichter van diens verering in de moderne tijd. De intieme viering, die door gelovigen zelf geleid wordt en waarbij we verrassend veel zingen, smaakt naar meer. Op zaterdagavond mogen we mee naar de publieke tempel in het nabijgelegen Mentakab. Tegen halfacht stroomt de zaal vol met vrouwen in sierlijke gewaden en hoofddoeken, bonkige mannen werpen zich bij binnenkomst voor de voeten van de verschillende goden en tussendoor buitelen kinderen van alle leeftijden. Een krishna zingt het mantra voor, de massa echoot zijn woorden: 
Hare Krishna Hare Krishna - de massa begint te deinen en te klappen.
Krishna Krishna Hare Hare - de drums roffelen harder nu.
Hare Rama Hare Rama - de mc ratelt alsmaar sneller, het valt nauwelijks bij te houden.
Rama Rama Hare Hare - net als het geklingel van de cymbalen de ramen op springen zetten, doet een stoot van de kinkhoorn alles oplossen.
We gaan zitten, mannen links, vrouwen rechts, en alles begint opnieuw, maar bedaarder. Ondertussen mogen we aan bloemen ruiken, de heilige geest in de vorm van kaarslicht tot ons nemen en vooraan fruitsap en melk over een beeldje van Krishna en diens broer gieten. Daarna krabbelen we terug recht, worden enkele extra drums omgegord en beginnen we nog steeds zingend langzaam van voor naar achter te lopen, steeds sneller tot we in twee rijen over elkaar staan en hand in hand een soort hysterische hucklebuck dansen. Daarna willen zowel kinderen als huisvaders rondjes met me draaien. In extatische misselijkheid haal ik nog net het einde. Er wordt een gouden mijter op ons hoofd gezet en we krijgen een blaadje van de heilige Tulasi plant om te proeven. Daarna drinken we purperen sap met rozensmaak en eten de resten van het heerlijke voedsel dat aan de oppergod geofferd werd. Aan zo’n full moon party kunnen ze in Thailand nog een puntje zuigen!

Als apotheose van onze wijding aan Krishna verbroederen we op het hoofdkwartier in Kuala Lumpur met een rondreizende groep Russische gelovigen, allen kaalgeschoren met staartje en gekleed in het oranjeroze van de monnik. Begeleid door accordeon, karatalas en mridanga dansen we ’s avonds drie uur lang als uitgelaten gekken door de straten van de hoofdstad, onderwijl op duizend verschillende manieren het Hare Khrisna mantra zingend. Het positivisme van de Russen werkt: zelfs moslims doneren met de glimlach enkele ringits of huppelen een eindje mee. Ik voel mijn geloof met elke stap groeien: niet in Krishna, wel in de mensheid. Religie brengt hier zowaar het goede in de mens naar boven. De cynische westerling zal lachen, maar als er ook bij ons meer aandacht en voor het spirituele was, zou er misschien minder egoïsme, wantrouwen en (zelf)destructie zijn. De volgende dag neem ik met de glimlach afscheid van ISKCON Malaysia. Ons verblijf in hogere sferen heeft ontegensprekelijk verrijkend gewerkt en de tempel in Antwerpen verdient na terugkomst zeker een bezoek. Toch heb ik na een tijdje heilig proberen te worden ook zin om terug te keren naar de materiële wereld. Singapore lonkt.

 

 

 

 

 

Plaats een Reactie

 

      
This site is only viewable in landscape mode !
Session Tracking