Reisverhaal «Dat smaakt naar meer . . .»
ETHIOPË 2010
|
Indonesië
|
0 Reacties
17 Juni 2005
-
Laatste Aanpassing 02 December 2006
Dat smaakt naar meer . . .
Eens bekomen van de verbazing en aangemoedigd door het welslagen van onze eerste “expeditie”, waagden we een tweede trekking met dezelfde gids.
We stippelden een route uit door het KOROWAI/KOMBAI-gebied en, verder zuidwaarts, door de ASMAT- en CITAK-regio tot aan de CASUARINEKUST.
Deze 16-daagse trekking werd georganiseerd voor 38.000.000 R.
Inbegrepen zijn: gids + kok + voeding + logement + dragers + sigaretten
+ transport WAMENA – YANIRUMA (AMA charter voor 13.000.000 R)
en onderweg een gemotoriseerde boomkano voor het 10-uur
durende traject BASMAN tot SENGGO : 1.000.000 R
en 4 dagen huur van een motorboot: 1.500.000 R per dag
Na enig aandringen accepteerde de gids ons tijdelijk gebrek aan vertrouwen en werd afgesproken om op gezette tijden een deel van het resterende saldo te betalen
Enige tijd geleden hadden we op National Geographic Channel (en later herhaald op Canvas) een fascinerende documentaire gezien over de KOROWAI en KOMBAI.
Deze legendarische stammen, vroeger berucht vanwege hun strooptochten en hun kannibalisme, leven een semi-nomadisch bestaan in hoge boomhutten.
De overheid heeft het koppensnellen verboden (± 1965) en tegenwoordig overleven zij vooral door het eten van bananen, sagomeel ( van de sagopalm) en sagowormen. Wanneer deze voedselbronnen in hun omgeving uitgeput zijn, trekken ze verder, bouwen een nieuwe boomhut en teren op wat moeder natuur hen te bieden heeft.
De peniskokers worden hier vervangen door een groen blaadje (letterlijk) om hun lid te winden en de vrouwen dragen touwenrokjes en kerven littekens op hun lichaam.
Het verschil tussen beide stammen (naar wij hebben vernomen) is hun leefgebied: de Korowai en Kombai bewonen de gebieden rond de BRAZZA-rivier; de ene op de linker-, de ander op de rechteroever.
Ook de ASMAT zijn berucht vanwege hun koppensnellend verleden (Michael Rockefeller (zoon van …) is in deze regio spoorloos verdwenen), maar tegenwoordig zijn ze beter bekend vanwege hun prachtig houtsnijwerk. Zij leven in de zuidelijke, moerassige streken een sedentair bestaan in paalwoningen en overleven vooral door visvangst. Helaas hebben ook zij, onder de invloed van de missionarissen, een deel van hun tradities overboord gegooid; zij moesten o.a. massaal hun houtsnijwerk en voorouderbeelden verbranden want deze kunstvoorwerpen werden aanzien als verafgoding.
Ook de kok MIR heeft deze trekking weer goed voor ons gezorgd.
Na zijn dagelijkse strijd tegen de talrijke kakkerlakken en ander ongedierte bereid hij, op zijn houtvuurtje, lekkere soepen en gevarieerde maaltijden met de vele verse groenten, fruit, eieren, pasta, rijst en noodles die we in Wamena gekocht hebben.
Na vier dagen stappen is het meegebrachte brood helaas op (een grotere voorraad zou toch beschimmelen in deze vochtige hitte), maar MIR verwent ons met pannenkoekjes of biscuits, op smaak gebracht met chocopasta of confituur, als ontbijt.
Onderweg (uitgezonderd in SENGGO, ATSJ en DEKAI) is bijna NIETS verkrijgbaar want bananen en “sweet patatoes” zijn het enige overschot dat de lokale bevolking soms op de markt kan verkopen; een ander alternatief zijn de poederdroge sagomeelkoek of de vette –wormen; zelfs de mooie witte kakatoe, de tautau (neushoornvogel) of de kleine krokodilletjes worden er opgepeuzeld.
We nemen enkele dagen rust om te bekomen van alle indrukken en inspanningen; tien dagen strompelen door de moerassige, warme bossen laat zijn sporen na (evenals de talrijke muggen (bij droog weer) en de bloedzuigers (bij regen)); ondertussen besteden we de nodige zorg aan de innerlijke mens (lekkere rivierkreeftjes met frietjes en een colaatje) en ons materiaal (rugzak en inhoud “ontkakkerlakken”, tent laten drogen, lakenzak en kledij laten wassen, etc.).