Reisverhaal «La luna llena sobre el río Quiquibey - deel 1»
Het jaar van de zomer: deel 1
|
Bolivië
|
0 Reacties
19 Mei 2008
-
Laatste Aanpassing 19 Februari 2011
.JPG)
lunes 19 de mayo
Ze hebben ons verdomd flink te grazen genomen vannacht. Als een of andere kudde koebeesten hebben ze ons lichaam afgeschuimd, ons leeg gezogen en hun gif in ons gespuwd. Het is onze derde nacht terug in de bewoonde wereld na onze vijfdaagse trektocht door de Madidi jungle. Nog steeds plukken we teken van ons lichaam maar dat is niet het ergste. Het zijn die ellendige rotvlooien die ons zo toetakelen. We dachten dat we ze ginder hadden gelaten maar ofwel zijn ze vanuit een of ander verborgen hoekje uit de rugzak ons bed in gekropen ofwel zijn onze kleren niet goed gewassen. Wat me trouwens niets zou verbazen. Echt fris ruiken deden ze niet toen die dronkenlap van de wasserij eindelijk terug nuchter genoeg was om zijn zaak met een dag vertraging te openen en ons onze kleren terug te geven. Wars van enig normbesef of fatsoen besprongen de "punische pulgas" ons vannacht en vonden wriemelend hun weg naar de donkere, warme plekjes van ons lichaam. Doorboorden met hun lange steeksnuit de zacht onschuldige blanke huid, dronken gulzig ons bloed en spuwden minachtend hun spuug in de open wonde. Om zot van te worden!
Zoals Darwin, onze vriend en gids in het Madidi park, had voorgesteld, zijn we de dag na onze terugkeer in Rurre (Rurrenabaque), met Don Leo gaan praten. Weer waren weinig woorden nodig om mekaar misschien niet echt te verstaan maar wel te begrijpen. Tenminste dat hoop ik toch... "We hebben van Darwin vernomen dat er indianen leven in het gebied aan de andere kant van de río Beni. We willen ze graag bezoeken. We willen voelen en proeven hoe deze mensen leven. Kan dat?" Even dacht hij na. "Dat is mogelijk" zei hij. "Maandag en het zal tien dagen duren. Min of meer." En vandaag dus, binnen enkele uurtjes al vertrekken we onder ons tweeën voor een tocht, een ontdekkingsreis doorheen Pilón Lajas. Stroomopwaarts, naar het gebied van de Mosetén-Chimán indianen aan de río Quiquibey, diep in het Boliviaanse Amazonewoud. De rest van Don Leo's verhaal hebben we eigenlijk niet zo heel goed verstaan. We weten wel dat Darwin onze gids niet zal zijn. Don Leo wou dat het iemand van de gemeenschap zelf was. Wie het zal worden zullen we straks wel zien. Eerst en vooral naar de apotheek, op zoek naar een middel om van die rotbeesten af te geraken. Gisteren was Don Leo al eens langs gekomen met bladeren om de beten op Anita's benen te behandelen. Hij schrok een beetje van de hoeveelheid bobbels en snapte al vlug dat hij veel te weinig bladeren mee had. Met een steen heeft hij ze geplet. De nerven gekneusd zodat de helende sappen vrij kwamen. Dan heeft hij ze, zachtjes en met veel liefde, als een patchwork op het rode heuvellandschap geplakt. En het werkt. De jeuk is al heel wat minder. Nu we ons ook nog eens drie keer van kop tot teen met de desinfecterende anti-rotbeesten shampoo hebben gewassen zijn we er al een stuk geruster in en stappen we dapper door de straten van Rurre, een nieuw avontuur tegemoet.
Sommigen vinden Rurrenabaque maar louw. Als je echter wat langer blijft en even de tijd neemt om voorbij de toeristische bovenlaag te kijken ontdek je een gezellig jungle stadje met een warme ziel, gelegen aan de oevers van de río Beni waar de tropische Andes eindigt en de onmetelijke vlaktes van het Amazonegebied geboren worden. Onderzoekers, wetenschappers en avonturiers van diverse pluimage zochten via Rurre hun weg naar de verborgen schatten van de jungle. Gisteren, zondag, was het markt. Van heinde en verre komen indianen naar hier gevaren om hun waren te verkopen of te ruilen. Een ganse dag van kleurrijke, gezellige drukte. Geen plekje blijft onbenut in Avendia Santa Cruz, de omliggende straatjes en de oever in de buurt van de klein haven aan de rivier. Veel meer dan alleen maar een markt. Een feest is het waar menigeen wel eens een flinke kater aan overhoudt want drinken kunnen ze, die van Rurre. Met en zonder mate(n)... Langzaam slenteren we langsheen de fleurige kraampjes en laten gewillig onze zintuigen prikkelen door de vele geuren en kleuren. We kopen allerlei spulletjes voor de kinderen en vinden eindelijk een klein pompje waarmee we die lange ballonnen kunnen opblazen. Alle voorgaande pogingen om deze rubbertjes met de mond vorm te geven eindigden steevast met een rood gezwollen hoofd en pijnlijke trommelvliezen.
Rond een uur of tien arriveren we bij het kantoortje van Don Leo. Samen met hem stap ik naar het gebouw van de parkadministratie enkele starten verder. Met een oude typmachine tokkelt de bediende woorden op een blaadje papier. Zoekt in de lades van zijn houten bureautje naar de juiste stempel. Vindt niet echt wat hij zoekt en neemt er uiteindelijk dan maar eentje die er toch officieel genoeg uit ziet. Hij drukt hem op het half uitgedroogde inktkussen en mept hem, zoals enkel een ambtenaar dat kan, op het document. Voila dat is dan ook weeral geregeld. Samen met Don Leo en zijn vrouw stappen we naar de rivier. Don Leo geeft ons een zak, gevuld met verse coca bladeren en een flesje alcohol. "Een cadeau voor het stamhoofd" zegt hij. Het is even wachten op het bootje en wanneer het uiteindelijk arriveert, laden we onze rugzakken, water en een piepschuimen doos met eten in het wankele vaartuig. Een gemengd gevoel van opwinding en toch ook een beetje bibberatie voor het onbekende maakt zich van ons meester wanneer een van de indianen, tot op kniehoogte in het water, de kano met een flinke zet wegduwt van de oever. "¡Buena suerte!" roept Don Leo ons na. Zijn vrouw vaart met ons mee en zal ons vergezellen tot aan het dorp waar de gids woont. Voor de derde keer passeren we de grens van het Madidi park. We voelen ons hier al een beetje thuis op de río Beni.
.JPG)
Onderweg pikken we her en der Indianen op om ze verder stroomopwaarts samen met hun vracht weer af te zetten. Gebukt onder het gewicht van zware jutte zakken beklimmen ze de modderige oever en dragen hun last naar de hutjes die verderop verscholen liggen in het weelderige groen. Na enkele uren varen vraagt Don Leo's vrouw aan een man die in de rivier aan het baden is, of hier onze gids woont. "Ja hoor, ginds, wat verderop, maar...." Uit de enkele woorden die we van het gesprek verstaan, kunnen we afleiden dat er iets mis is. We klimmen de oever op en stappen over een smal pad - met hier en daar houten planken die onze voeten moeten droog houden - doorheen de muren van groen. Enkele honderden meters verder, op een open plek, staan een paar hutten. Kippen scharrelen in het groen afval en links van ons staan enkele koeien rustig te grazen. De vrouw van Don Leo roept en in de deuropening verschijnt een jong meisje en een vrouw van rond de veertig. Er volgt een gesprek, we worden vluchtig voorgesteld en het gesprek gaat weer verder. Er komen enkele kinderen piepen. We begrijpen geen woord van de conversatie en staan daar maar een beetje onwennig en hulpeloos te staan. Na enkele minuten is het voor hen blijkbaar duidelijk wat er moet gebeuren en geven ze ons te kennen dat we terug naar de rivier gaan. Blijkbaar is onze gids er niet. Even denken we dan ook dat we ergens anders naar toe moeten maar aangezien we onze spullen moeten pakken en de jongens een oude kruiwagen hebben meegebracht waar ze het water en de piepschuimen doos inladen, lijkt het erop dat we toch hier ergens zullen overnachten. De kinderen vinden het zichtbaar leuk dat er bezoek is. Bij de hut aangekomen brengen ze een klein bankje. We zetten ons. De kinderen halen een van palmbladeren gevlochten mat, leggen ze aan onze voeten neer en nestelen zich voor ons op de grond, zodat ze ons eens goed kunnen bekijken. Nieuwsgierig, vriendelijk en zeker niet bang. Een meisje van een jaar of acht - waarschijnlijk haantje de voorste van de familie - zet zich dicht naast Anita. Dat gaat goed komen tussen die twee, dat zie je zo. De man die de kano bestuurde wenst ons veel geluk, een goede reis en vertrekt. De vrouw van Don Leo blijft. Ik heb echter de indruk dat ze dat liever anders had gezien.
En hier zitten we dan zie... Op een bankje, met rood aangelopen hoofd en zwetend als een paard, in een dorpje met vier hutjes, ergens in de Boliviaanse jungle. We kijken naar elkaar en zeggen vrijwel gelijktijdig: "Waar zijn we nu weer terechtgekomen!?" Wel, geen flauw idee eigenlijk...
Niet alleen de kinderen hebben hun oog op ons laten vallen, ook de bijtbeestjes zien ons wel zitten. Al vlug blijkt dat Anita's T-shirt een iets te optimistische keuze is geweest. Tijd dus voor lange mouwen en DEET. Met bijzondere interesse volgen de kinderen onze strijd tegen het ongedierte.
Nu het allemaal een beetje duidelijk is (voor hen dan toch) hoe het verder moet, is het tijd om wat nader kennis te maken. Van het meisje dat zich dicht tegen Anita genesteld heeft, zijn we al te weten gekomen dat ze Magali heet. Dat de dame van een jaar of veertig haar mama is en dat ze hier eigenlijk niet woont. Een erg lieve dame trouwens, Magali’s mama. Zij vertelt ons dat ze de zus is van de gids en dat ze op familiebezoek is. Dat de gids vanmorgen naar Rurre is vertrokken, dat we hem meer dan waarschijnlijk op de rivier gekruist zijn en dat hij vermoedelijk niet meer zal terugkeren vandaag. De man die in de rivier aan het baden was komt even kennis maken en ook een oude vrouw en nog een andere man passeren de revue. Telkens staan we op van ons bankje, schudden, met een iet of wat onhandige maar welgemeende glimlach, hun de hand, proberen een beetje te verbergen dat we eigenlijk geen woord begrijpen van wat ze zeggen en gaan, wanneer het korte ontmoetingsgesprek stil valt, terug op ons bankje zitten. De kinderen blijven ons van op hun matje geamuseerd aankijken. Don Leo’s vrouw is meteen aan het kokkerellen gegaan en we worden uitgenodigd om een kijkje te nemen in de hut.
De wanden zijn van ruw gezaagde planken die losjes aan mekaar zijn gezet. Het zonlicht piept doorheen de spleetjes en tekent een strepenpatroon op de grond. De kippen hebben misbruik gemaakt van de verdeelde aandacht en zijn op ontdekkingsreis binnenshuis. Met een flinke trap en het nodige kakelprotest worden ze de deur gewezen. De laatste in de rij ziet het aankomen en laat net voor haar lancering de nodige 'balast' op de vloer achter. Een vloer in de kleur van de aarde. Logisch want de vloer is aarde. Twee ruimtes zijn er. Een grote die dienst doet als leef- en slaapkamer. Geen stoelen maar wel een tafel en een kast die vol gestouwd zijn met spulletjes allerhande. Links is op anderhalve meter hoogte een soort van eenvoudige mezzanine gebouwd waar lakens liggen en muskietennetten hangen. Rechts is de keuken. Potten, pannen, etenswaren en al wat een mens nodig heeft om te koken ligt her en der verspreid op de grond. Aan het houtvuurtje gehurkt zit de vrouw van Don Leo en een meisje van een jaar of dertien. De rook speelt met het gespleten zonlicht en danst langsheen de wand omhoog om dan langs een brede opening net onder het palmbladeren plafond te ontsnappen. Maar niet zonder nog een extra laagje aan te brengen aan de diepbruine roetkleur van het houtwerk. De indringende geur van het open vuur mengt met die van de gebakken kip en ik besef dat ik honger heb. “Een heel mooi huis” zeggen we. Met een trotse glimlach wordt het compliment in ontvangst genomen. “Wij slapen allemaal hier” zegt Carmen, de mama van Magali, en ze wijst naar en onder de mezzanine. “Jullie mogen in het schooltje slapen.” “Is er hier een schooltje?” vragen we. “Ja hoor, we gaan zo meteen kijken, maar eerst eten.” De kinderen die ook tijdens de rondleiding ons geen moment alleen gelaten hebben brengen ons naar ons bankje onder de kleine palmboom en installeren zich terug op hun matje voor het ‘vervolg van de voorstelling’. Ook de kippen proberen een plaatsje te veroveren in de hoop dat we onhandig genoeg zijn om al eens iets te laten vallen. Wanneer er echt geen korrel rijst meer bij kan tonen de jongens ons trots hun schooltje. Ook hier zijn dezelfde natuurlijke materialen en het eenvoudige 'design' gebruikt. Ooit was er vliegengaas in de raamopeningen maar dat heeft duidelijk zijn beste tijd gehad en kan enkel nog vliegende olifanten buiten houden vrees ik. Enkele zelfgemaakte bankjes en tafeltjes zijn het enige meubilair. Aan de wand hangt een vergeelde poster met het Spaanse alfabet. Eén figuurtje voor elke letter. Ook de cijfertjes ontbreken niet en mooi in het midden, zo hoog mogelijk, een foto van Evo Morales, hun president. Op een tafeltje, in een soort van plastieken eenvoudige filter ondergaat het bruine water bovenaan een gedaantewisseling en druppelt proper en glashelder naar het onderste compartiment. Op de ondergrond van door kindervoetjes platgetrapte aarde kiezen we een plaatsje om ons bed te spreiden voor de nacht. Gelukkig hebben we deze keer ons slaapmatje meegebracht want het enige dat ze ons kunnen bieden is een plastieken zeiltje. Van Don Leo hebben we een laken en gelukkig maar, een muskietennet meegekregen. Rond een uur of vier trekt zowat iedereen naar de rivier. Allemaal gaan ze uit de kleren voor een bad in de río Beni.
De oude vrouw en het meisje zetten zich op de ronde keien aan de rand van het water en beginnen aan de was. Met een dik stuk groene zeep en een grote platte steen als enige werktuigen wordt elk kledingstuk onder handen genomen. Spoelen, inzepen, wrijven, de steen enkele flinke meppen met het linnen verkopen en terug spoelen. Ondertussen wordt er gebabbeld en gelachen en kijken ze af en toe om naar ons. Naar die twee zonderlingen die het blijkbaar voldoende vinden om zich te beperken tot een kattenwasje, hoewel de geur van hun westers zweet al sinds hun komst vanmiddag, nadrukkelijk aanwezig is. We weten dat we stinken maar zodra we ook maar een beetje vlees ontbloten worden we gebeten. Anita’s arm en ringvinger maken er zich letterlijk dik over en ook boven haar oog zie ik dat wat enkele minuten geleden een onschuldig rood stipje leek, langzaam maar zeker in een rode heuvel transformeert.
.JPG)
De avondzon verzacht de oogverblindende schitteringen op het water. De betovering is niet ver weg meer. Licht en langgerekte schaduwen spelen hun spel op het keienstrand. De stenen die nog niet gevangen zijn in de schemering absorberen nog vlug de warmte van het laatste restje goudkleurig zonlicht. Wat groen is wordt diepgroen wat bruin is diepbruin. Druppels uit de río Beni parelen op Magalis gouden huid. Haar pekzwarte haar ligt in natte slierten over haar gelaat. Haar fonkelende donkere ogen dringen diep door tot in onze ziel. Haar lach is oprecht. De dag komt tot rust en aan de overkant van de rivier glijden wolken met een gulden buik en donkere rug over de scherpe contouren van het woud.
.JPG)
In het half duister wandelen we over het smalle pad langsheen de muren van meters hoog tropisch groen terug naar het dorpje waar ons bankje en ons avondeten op ons wacht. Onze westerse ogen hebben het niet makkelijk met de omringende duisternis en we hebben ons hoofdlampje nodig om te zien wat we eten. Hun indianen ogen doen het zonder kunstlicht. Ook de volwassenen hebben zich op grond gezet. Carmen vertelt haar verhaal. De krekels en de kikkers zingen vol overgave hun junglelied. Waar de takken van de reusachtige woudbomen een venster naar de hemel hebben gelaten verschijnt fabelachtig mooi de volle maan die haar zilveren stralen over de vier hutjes van dit dorpje aan de río Beni werpt. In het schooltje projecteert een kleine kaars, die we met haar eigen gesmolten materie op de tafel hebben gekleefd, speels haar licht op de piepkleine vierkantjes van ons muskietennet. Wanneer de zucht van mijn adem ze dooft begeleidt het diffuse licht van de maan onze laatste stappen tot aan ons bedje op de grond. We maken ons zo klein mogelijk en lichten het muskietennet maar heel even om er zeker van te zijn dat wij twee de enige bewoners zullen zijn vannacht. Met un beso de la noche nemen we afscheid van de dag. De vermoeidheid vertraagt en stopt al vlug de wervelingen van emoties en indrukken in mijn hoofd en mijn bewustzijn verliest zich in de droom.
Tot, om een uur of vier in de ochtend, eerst geklapper en meteen daarna een schril krassend geluid via de trommelvliezen het binnenoor binnendringt, razendsnel zijn weg zoekt doorheen het labyrint, ontelbare neuronen in vuur en vlam zet en een kanjer van een kortsluiting veroorzaakt in mijn cortex. Mijn hart staat stil. Mijn lichaam kleeft roerloos en loodzwaar tegen het slaapmatje Met wijd opengesperde ogen kijk ik in de volslagen duisternis. Enkele seconden en dan klopt mijn hart weer. Ik voel het tegen tweehonderd kilometer per uur bonzen in mijn keel… Wat was dat?! Stilte en dan weer dat geluid…! De enkele hersencellen die de overspanning hebben overleefd komen tot inzicht. Een ellendige rothaan heeft, met een voor dit onmenselijke uur totaal ongepast enthousiasme, abrupt een einde gemaakt aan onze slaap. Op nog geen twee meter van ons geeft hij van op het raam met het kapotte muggengaas zijn 'concerto del diablo' en zint op wraak. Gisteren zei Carmen ons dat het toilet te vinden was ergens tussen de bananenbomen. Ik zag het echter niet zitten om voor het slapen gaan in de volslagen duisternis nog een zoektocht te ondernemen tussen al dat torenhoge groen en heb dan maar stiekem mijn plasje geplast in het kippenhok naast het schooltje. En nu neemt de baas van de kiekens wraak zonder weerga! Onze oordopjes liggen ergens in onze rugzak maar ik heb geen zin om de veilige cocon van muggengaas te verlaten en stop dan maar mijn vinger in mijn oor. Het effect is absoluut ontoereikend...
Coq au Vin
Snij de haan in stukken, bak ze aan en bestrooi daarna met de bloem.
Doe het spek erbij en flambeer vervolgens met de Marc de Bourgogne.
Doe de uien erbij en laat hem pruttelen met de wijn en het water van de champignons.
Voeg de kruiden en het bouquet garni toe.
Zet de pan op hoog vuur en laat hem gedurende 3 minuten met het kookpunt flirten.
Nadien op een zacht vuur nog eens anderhalf uur pruttelen.
Doe de schoongemaakte champignons erbij en laat heel het boeltje nog eens 10 minuten nasudderen.
Neem de pan van het vuur en laat afkoelen.

Naar: "La luna llena sobre el río Quiquibey - deel 2"