Reisverhaal «La luna llena sobre el río Quiquibey - deel 2»
Het jaar van de zomer: deel 1
|
Bolivië
|
0 Reacties
20 Mei 2008
-
Laatste Aanpassing 19 Februari 2011
martes 20 de mayo
Voor dag en dauw ruimen we onze slaapplaats op want de kinderen hebben voormiddag school en ik weet dat ik ’s morgens nu niet bepaald een schoonheid ben, zeker niet na een nacht als deze... In het dorp is er niemand te bespeuren. Een goed moment dus om op zoek te gaan naar dat toilet. Het is even zoeken maar uiteindelijk vind ik dan toch een houten bakje met een rond gat te midden van grote bananenbomen. Wat moet gebeuren gebeurt snel.
.JPG)
Rustig een boekje lezen is niet aan de orde. Ten eerste omdat ik er geen heb, ten tweede omdat je blote bips een lekkernij is voor muggen en ander vliegend en/of kruipend ongedierte, ten derde omdat het toch wel een klein beetje rommelt in mijn buik met een vlotte transit tot gevolg en ten slotte omdat ik doorheen het gebladerte zie dat er toch al wat beweging is rond de hutjes. Dit is een toilet met een 'natuurlijk open' karakter en mijn kennis van de Spaanse taal is onvoldoende om een gepaste opmerking te verzinnen moest het tot een ontmoeting komen met een Indiaan, hier zo op de pot.
Het is nog vroeg maar toch al aangenaam warm. Ideaal om een bad te nemen in de rivier. Vredig en stil is het hier. We zitten even aan de oever en kijken over het water. Al duizenden jaren brengt de río Beni haar levensvocht van hoog in de Andes helemaal tot in de Amazone en vandaag is dat niet anders. Wat een badkamer! Het paradijs! Of toch bijna, want wat ook al duizenden jaren niet anders is, is de permanente aanwezigheid van die kleine vliegende beesten die een jeuk veroorzaken die echt niet in verhouding staat tot hun grootte. Van zodra we uit de kleren zijn moeten we maken dat we zoveel mogelijk bloot vlees onder de waterlijn dompelen. We houden mekaar goed in de gaten zodat we kunnen alarm slagen wanneer er beestjes landen op lichaamsdelen die niet helemaal door het bruine rivierwater zijn beschermd. Afdrogen kan moeilijk onder water en dat weten die pieterige muskietjes… Het zal een schoon gezicht zijn geweest. Twee naakte witte creaturen langs de waterkant die terwijl ze hun lichaam trachten te drogen om de haverklap zich spastisch enthousiast en vol overgave geselen met hun handdoek. Maar we zijn tenminste fris gewassen en kunnen dus weer onder de mensen komen. Omdat onze gids er nog steeds niet is neemt een jonge kerel uit het dorp ons mee. Hij toont ons een kleine plantage, een chaco. Het vraagt al onze concentratie om de jonge man te verstaan maar we kunnen uit zijn verhaal begrijpen dat de indianen leven van de rijkdom van de omringende jungle. Vis, vlees en vruchten. De basiselementen echter van hun voeding cultiveren ze op de chacos. Rijst, maïs, yuca (maniok) en plátano (banaan). Maar ook ander lekkers zoals citrusvruchten, rietsuiker, zoete aardappel en ananas. Het stukje land wordt één jaar bewerkt en dan tien jaar met rust gelaten. Geen chemicaliën en er wordt niet meer verbouwd dan wat strikt nodig is voor hun eigen consumptie. Biologisch tuinieren in zijn puurste vorm! Soms ruilen ze wel eens wat van hun oogst tegen producten die iets moeilijker te verkrijgen zijn in de jungle, zoals zeep, zout en kleren. We banen ons een weg door het kniehoge gras van een barbecho, een chaco op rust zeg maar. Het is een beetje uitkijken voor stukken dood hout die verscholen liggen in het gras en ook wel voor … slangen.
.JPG)
Niet veel later zijn we omsloten door de groene armen van het regenwoud. Zonnestralen priemen doorheen het dichte bladerdek en belichten de vochtige mist van de dampende aarde. Grote palmbomen zoeken kaarsrecht hun weg naar de zon. Aan hun voeten vechten de kleintjes voor hun leven. Zwammen en schimmels in alle kleuren en vormen verteren langzaam zij die het niet gehaald hebben. Grote bollen in een papier-machéachtige substantie plakken rond de takken boven onze hoofden. Het zijn de nesten van de turiros (termieten). Omdat ze weten dat ze lekker zijn (voor sommige toch) hebben de termieten tunnels gebouwd die van op de grond, langsheen de takken in hun veilige nest uitmonden. Wanneer we een klein stukje van de pijp openbreken zien we de opgeschrikte lichtgrijze wezentjes alarm slaan en beginnen de metsers meteen met het herstel van het gangenstelsel. Oef het waren maar toeristen zullen ze gedacht hebben en gelukkig geen ‘hormigas cazadoras’, een bijzonder agressieve soort mieren die op hun strooptochten alles wat leeft afmaken, in reepjes scheuren en hun nest inslepen om het daar rustig te laten gisten. Zonder verpinken pikken deze killers de nesten van de termieten. We leren ook weer heel wat over plantjes en bomen die we best mijden. Een alleraardigst struikje dat er op het eerste zicht absoluut onschuldig uit ziet heeft aan de achterkant van zijn bladeren beenharde, haakvormige, vlijmscherpe dorens. Als je doorheen dit struikje zou rennen (op vlucht voor de hormigas cazadoras bijvoorbeeld) zijn de ‘incisies tot op het bot’ niet te tellen… Op een boomstam in een uitgedroogde rivierbedding rusten we even uit. Terwijl wij de muggen op onze handen en in onze nek tot moes trachten te kloppen vertelt onze vriend ons dat wat er nu aan stekende beestjes zit absoluut niets is in vergelijking met de zwarte muggen-wolken die er rond je hangen in het regenseizoen. Iets voor het middaguur keren we terug. Een oud vrouwtje bewerkt voor haar hut een witte korrelige substantie die op een witte doek in de zon ligt te drogen. "¿Qué es?" vragen we. “Yuca, om chicha mee te maken”. Hmm, hopelijk staat dat drankje kortelings op het menu.
De la chicha
Cuando llega mi día de la fiesta
Acompañado con la chicha y todos los que me desean tomar
Se emborrachan alegres bailando y riendo
Hasta perder el sentido la gente
Yo soy la chicha que agrado a quien me toma
Y día tras día me buscan para quitar la sed
Trini Tayo
Over de Chicha
Wanneer mijn dag van feest aanbreekt
Samen met de Chica en allen die mij wensen te drinken
Bezatten ze zich blij dansend en lachend
Totdat ze het verstand verliezen, de mensen
Ik ben de Chicha die ieder die me drinkt dankbaar is
En dag na dag zoeken ze me om de dorst te lessen
Omdat we zo flink zijn geweest hakt de jonge man met zijn machete een stuk azúcar de caña (rietsuiker) af en krijgen we een cãna snoepje, een 'chanaca'. Met de nodige zuig- en slurp geluiden ontdoen we het vezelige stukje stengel van zijn zoete sap. En als hij leeg is neem je gewoon een andere. Zo’n stengel is immers groot genoeg. We likken de restjes sap van onze handpalmen. Doorheen het zoete proeven we het zoute van ons zweet. Het is heet en mijn haren klitten vochtig samen in mijn nek.
.JPG)
We begeven ons naar het schooltje waar de jonge man ons achter laat bij zijn broer, de leraar van het dorp. Een tiental kinderen van uiteenlopende leeftijd krijgen er les. “Buenos días niños!” “Buenos días señores” antwoorden de studentjes. Het jonge meisje en de twee jongens die we gisteren al hebben ontmoet zijn er ook. Ze kijken trots om zich heen wanneer we duidelijk laten merken dat we hen ‘al lang’ kennen en hen met amigos aanspreken. Sommigen zijn aan het tekenen en andere schrijven Spaanse woorden in een schriftje. De leraar toont ons een grote tekening die wat mij betreft de titel 'het leven zoals het is in het dorp aan de río Beni' mag krijgen. Hutjes, mama's aan de rivier, papa's die terugkomen van de jacht... We steken onze bewondering niet onder stoelen of banken. Met een bescheiden glimlach nemen de kinderen het compliment in ontvangst. Gedurende de week is er elke voormiddag, behalve maandag, les. Als iedereen er is zijn ze met zijn twaalven. Aangezien de oudsten regelmatig hun ouders moeten helpen met een of andere klus gebeurt het niet zo vaak dat ze voltallig zijn. Het zweet gutst van ons lijf en we zijn maar wat blij dat de les afgelopen is voor vandaag en iedereen naar buiten gaat. Met hun geel-groen rugzakje op hun rug zetten de kinderen zich netjes in een rij van twee en halen met het gepaste respect de Boliviaanse vlag van de vlaggenmast. Twee meisjes vouwen ze netjes op en overhandigen haar aan hun leraar. Over de komst van onze gids tasten we nog steeds in het duister, dus trekken we na het almuerzo (middageten) opnieuw naar de rivier. We hebben enkele kledingstukken die nog niet aan de beurt zijn geweest en nemen ze eens flink onder handen met dat desinfecterend goedje dat we van de apotheker hebben meegekregen. Onze strijd tegen de vlooien is ongenadig hard.
.JPG)
De twee jongens nodigen me uit om mee gaan te vissen. Ja, dat laat ik me geen twee keer zeggen natuurlijk. Blijkbaar gaan we met de kano en gaat Opa ook mee. Ik word in een wreed smal stukje boomstam geloodst dat aan het gewiebel te voelen een diepgang heeft die niets maar dan ook niets bijdraagt aan de stabilisatie van dit vaartuigje. Zij blijven rechtstaan maar ik moet gaan zitten. En dat doe ik ook, zo stil mogelijk. Ik hou me krampachtig vast aan de rand die net boven de waterlijn uitkomt terwijl de anderen als koorddansers op de randen van het bootje balanceren en met hun houten stok of peddel deze uitgeholde lucifer zijdelings tegen de stroming in naar de overkant van de rivier navigeren. We stappen door het half uitgedroogde slib van de brede oever. Ik laat de afdrukken van mijn stapschoenen maat 44 achter me. Zij bestempelen hun verbondenheid met de natuur in de afdruk van hun naakte brede voeten. Opa trekt er alleen op uit terwijl de jongens zich verbazen over mijn onkunde in de basistechnieken van overleving die er bij hen met de paplepel zijn ingebracht. Ze leren me hoe ik het aas aan de haak moet haken. Welk keitje ik moet kiezen dat dienst zal doen als loodje en welke knoop ik moet gebruiken om het ronde steentje toch stevig aan de nylondraad te verankeren. Hoe ik met soepele draaiende bewegingen de swung erin kan krijgen en wanneer ik juist de draad uit handen moet geven zodat het keitje aan zijn vlucht over het water kan beginnen en exact op die plaats met een plons in het nat zal duiken, die jij in je hoofd hebt uitgekozen als de perfecte spot. Ik vang mezelf, moet telkens weer op zoek naar een ander steentje, krijg water op mijn lijf omdat, ondanks alle krachtinspanningen, de steen op amper één meter al het water in duikt. De jongens duiken weg, verlossen mijn haak uit de takken van een drijvende woudreus die eigenlijk ver buiten de voorgeschreven sector van de parabolische baan van mijn werpobject lag en voorzien me met een engelengeduld telkens opnieuw van aas omdat wat ik doe meer lijkt op het voederen van vissen dan op het vangen ervan. Oké, mijn bijdrage aan het avondeten zal dan misschien miniem zijn maar ik zorg blijkbaar wel voor de nodige humor en we worden vrienden. Wanneer de jongens iets horen haasten we ons terug naar de kano. Ik meen te begrijpen dat hun vader eraan komt. Ze hebben het over een bakka of zoiets maar daar raak ik niet echt wijs uit. Opa is nergens meer te bespeuren en met ons drieën beginnen we aan de overtocht. Hoewel de toegang tot het dorp recht voor ons ligt sturen ze de kano schuin stroom opwaarts. Het is niet eenvoudige om het bootje tegen de stroming in te bewegen en ik schaam me wel een beetje omdat ik me laat varen door twee gastjes waarvan de oudste amper tien is maar ik vrees dat mijn ‘hulp’ ons waarschijnlijk meer kwaad dan goed zou doen. Wanneer we eindelijk iets voorbij het midden van de rivier gepeddeld zijn sturen ze de kano schuin stroomafwaarts naar de aanlegplaats. En nu hoor ik het ook. Het typische geluid van de 'peque peque' kano met zijn 2-takt motor. De jongens vertellen ook aan Anita dat hun papa eraan komt met een "bakka". En dat die "bakka, malo" (gevaarlijk) is. Enfin we zullen zo meteen wel zien wat dit allemaal betekent. Ook de mensen uit het dorp hebben het geluid opgevangen en zakken allemaal af naar de rivier. In de verte is het bootje al zichtbaar maar het duurt nog een hele poos voor het zijn punt in de modderige oever boort. De kinderen hebben ons meegenomen naar een hoger gelegen stek en blijven herhalen dat wat er in die kano zit "malo" is. Iets voorbij het midden van het vaartuig zien we takken liggen die tot over de rand reiken. Vier bij mekaar gebonden poten wijzen naar de hemel. Onze blik glijdt langsheen de geknevelde ledematen naar de bodem van de kano en treft er het grote grijze bewegingsloze lichaam van een kanjer van een stier aan in een wel zeer oncomfortabele houding. “Alé zeg een stier!” “Ah ja, een ‘vaca’ (koe) natuurlijk.” Nu snappen we het. “Maar hoe hebben ze in hemelsnaam dat beest in die kano gekregen?”. "Leeft hij nog?” Een man, jonge vrouw, kind en Opa (aaah daar was hij dus gebleven) springen uit de kano. Omdat ze blijkbaar niet meteen met 'de ontscheping' beginnen gaan we het diertje van wat dichterbij kijken.
.JPG)
“Wat een kanjer zeg!” De borstkas van het beest gaat traag op en neer. Hij leeft dus nog maar ocharme wat moet dit dier afgezien hebben. Zijn blik grijpt me naar de keel. Wijd opengesperde pupillen in donkere glazen knikkers reflecteren panische doodsangst en de totale uitputting. Hij duwt zijn neusvleugels ver open om levensnoodzakelijke zuurstof op te snuiven. Wij zoeken vlug terug de bescherming van de hoger gelegen oever op terwijl de anderen alles voorbereiden om het beest te bevrijden. Een riskante operatie blijkbaar en iedereen is op zijn hoede. Met wat touwen wordt het pad afgebakend dat de stier hopelijk zal volgen van zodra zijn ketens rond zijn poten worden losgemaakt. Eenmaal hij de oever verlaten heeft kan hij maar één richting uit en dat is die van het dorp. Tenminste dat hoop ik. Met een ruk wordt de laatste knoop uit de knevels getrokken. De indiaan spurt het water in en de stier… doet niets. Langzaam en heel voorzichtig komen enkele dapperen terug dichterbij het ene oog op de stier gericht het andere op de vluchtroute. Even een tik tegen zijn poten en iedereen weer uit de startblokken. Maar de reus beweegt niet. Creatieve oplossingen worden bedacht. De kano wordt zover als kan gekanteld. Planken en boomstammen als hefbomen gebruikt om zijn lijf op te lichten. Er wordt getrokken aan het touw rond zijn nek. Ze porren hem in zijn zij,... maar buiten enkele wanhoopspogingen om recht te geraken gebeurt er niets. Negen uur heeft deze brok trotse energie in de kano gelegen in een niets ontziende tropenzon. Ik vrees het ergste.
Onze neus vangt niet mis te verstane reuksignalen op. Duizenden poriën hebben vandaag weer overuren gemaakt en zoveel zweet en afvalstoffen naar buiten gebraakt dat het weeral hoog tijd is voor een bad. Dus gaan wij, terwijl de mannen zich het hoofd breken over het stier probleem, ons wat verder stroomafwaarts wassen. Angst maakt creatief en plots zien we het licht. Zonder kleren worden we ongenadig gebeten door die kleine rotvliegjes, dus wassen we ons toch met onze kleren aan! We waden door de rivier met zijn zachte slib bodem tot het water aan onze borstkas staat. Ok, de uitvoering van ons plan is minder eenvoudig dan eerst gedacht maar het lukt. We ontdoen ons onder water van onze kleren. Geven de zeep telkens weer voorzichtig aan mekaar door, zwemmen af en toe achter ons hemd of broek aan wanneer die aan een solo tocht naar de Amazone wil beginnen en zorgen ervoor dat we om de tien seconden een keer helemaal onder water gaan om de kleine bloedzuigende ettertjes volledig te ontmoedigen. Het water stroomt uit onze hemd- en broekzakken wanneer we terug aan wal klauteren. ¿Poco loco? Kan, maar we zijn ze toch maar mooi te slim af geweest. Alé ja, de meeste toch...
Carmen was heel die tijd wat verderop aan het goudzoeken in de oever maar staakt nu toch ook even haar activiteiten. Blijkbaar is het de toro dan toch gelukt om recht te staan.
Bevend op zijn poten en met zijn kop net boven het water probeert hij overeind te blijven. Eén ruk aan het touw is echter al voldoende om hem terug op zijn knieën te krijgen. Dit dier is niet meer tot enige beweging te motiveren of misschien toch. Een van de koeien uit het dorp wordt erbij gehaald. Het lieve beest duwt zachtjes haar natte snuit tegen de bezwete kop van de stier die uitgeput in het water licht. Maar zelfs nu vindt hij de kracht niet om overeind te komen. Ondertussen hebben we ook afscheid genomen van de vrouw van Don Leo. Zij heeft een lift gekregen van een voorbij varende kano. In het Madidi park zal ze overnachten en morgenvroeg naar Rurrenabaque terugkeren.
Intense kleuren kondigen de komst aan van de nacht en eindelijk krijgt de getormenteerde taurus rust. We laten hem achter in het water en stappen met z'n allen naar het dorp. Daar maken we kennis met Genaro Chinare, zijn vrouw Lidia en hun jongste zoontje Joni. De avond valt en brengt rust en duisternis over het dorp. Na het avondeten zitten we met zijn allen voor de hut op de grond. Samen kauwen we coca en offeren alcohol aan Pachamama. Morgen gaan we op reis. We vragen of ze ons wil beschermen tijdens onze lange tocht. We zitten dicht tegen elkaar aan, luisteren naar de klanken van hun stemmen en zijn blij dat de sigaren die we hebben meegebracht gesmaakt worden. Een intens gevoel maakt zich van ons meester. Ver weg van de wereld, omringd door het immense woud zijn we getuige van het leven in zijn puurste vorm. De volle maan verschijnt aan de horizon en werpt haar licht over de hutjes. We voelen ons veilig en geborgen in dit kleine dorpje aan de río Beni, waar niets is maar daarom ook weer heel veel, en dat luistert naar de naam 'La Embocada'.
Pilón Lajas..., de laatste grens. Dit zijn de reisavonturen van NatinA. Hun 1 jaar durende quest: nieuwe werelden ontdekken; nieuw leven en nieuwe culturen; moedig gaan waar (bijna) nog niemand is geweest.
To be continued...