Reisverhaal «La luna llena sobre el río Quiquibey - deel 7»
Het jaar van de zomer: deel 1
|
Bolivië
|
0 Reacties
25 Mei 2008
-
Laatste Aanpassing 19 Februari 2011
.JPG)
domingo 25 de mayo
Bliksem en donder hebben ons ontzien vannacht maar de regen, die was wel van de partij. Ondanks de extra charo was ons ‘afdakje’ niet echt bestand tegen het water dat met bakken uit de hemel viel. Onze 'hightech gore-tex pyjama’ (geslapen met regenbroek en -jas) is dus goed van pas gekomen. Bij het ochtendgloren leggen we onze spulletjes wat te drogen op het keienstrand. We hebben niet zo erg goed geslapen. Met een stoppelbaard van enkele dagen oud en diepe rimpels begin ik wel heel erg op Crocodile Dundee te lijken. En meer op crocodile dan op Dundee vrees ik. Een mug vond het nodig om eens flink in Anita’s ooglid te bijten. Gezwollen oog, afgebroken tand... Het is niet te verwonderen dat we er wat ‘verwilderd’ bijlopen vanmorgen. Onze gids laat ons de keuze. Ofwel gaan we in dit gebied het woud in ofwel varen we terug tot aan de río Beni waar hij ook nog enkele mooie plaatsjes weet. "Vamos a cazar y pescar con arco y flecha." ("We gaan jagen en vissen met pijl en boog."). "Als jullie het niet erg vinden stoppen we even bij ons thuis en gaan meteen weer door." We begrijpen het maar al te best en kiezen uiteraard voor de río Beni. Het duurt even voor onze spulletjes droog zijn maar als er iets is dat we hier hebben, dan is dat wel tijd. Het tropisch onweer van vannacht heeft heel wat water naar de rivier gebracht en dat navigeert een stuk makkelijker. Vanop de modderige oever volgt een capibara familie onze vaart met interesse. De zon is al over haar hoogste punt heen wanneer we de río Quiquibey achter ons laten en de río Beni opvaren. Genaro’s dorp is niet veraf meer. We nemen de laatste bocht en kijken vol spanning uit naar het weerzien. Het allereerste wat ons treft is de stier die op het keienstrand ligt. Genaro staat vooraan op de kano en kijkt gespannen toe. Anita en ik wisselen een ‘het is niet waar hé’ blik. De kano schuift met zijn punt over de modder. Rustig stapt Genaro naar de stier. Knielt neer naast de gevallen reus en legt zijn hand op zijn schouder. Die is gezwollen en voelt warm aan. "Ontstoken", zegt hij en staat terug recht. "We zullen hem doden." Ondanks de enorme tegenslag - ik durf er niet aan te denken hoelang ze gespaard hebben voor deze aankoop - valt er geen moment enig spoor van teleurstelling of frustratie af te lezen van Genaro's gezicht. Ondertussen zijn ook de andere familieleden gearriveerd. Het weerzien is hartelijk. Magali en Anita vinden elkaar meteen weer. Genaro overlegt even met de oudere man en komt naar ons toe. "Vinden jullie het erg als we later vertrekken?. Als we het beest nu meteen slachten kan het vlees nog gegeten worden." "Natuurlijk niet!" antwoorden we, "por favor, als er iets is dat we kunnen doen, zeg het ons." Enkele palmbladeren worden naast de stier geschikt. Carmen scherpt haar mes op een kei. Weer worden de poten van het arme dier met een touw gebonden maar er is weinig protest. Dagenlang heeft hij hier aan de oever van de rivier, in een verzengende hitte, de helse pijnen van zijn ontstoken vlees moeten doorstaan. Hopelijk is het nu vlug voorbij. Wie het dier gekocht heeft mag het niet doodmaken. Dat brengt ongeluk en daarom zal Carmen hem het leven ontnemen. Een dier van deze omvang afmaken is ook voor haar geen dagelijkse klus en ze is dan ook wel wat onzeker. "Hoe slachten jullie zo'n dier?" vraagt ze ons. "Wel euh, eigenlijk doen we dat niet." "En wat dan als je vlees nodig hebt?" "Wel euh, dan kopen we een stukje in de winkel." "Altijd?" vraagt ze verbaasd. "Wel euh, ja."¡Qué tan caro!" (Wat duur zeg). Voor Anita is het de eerste confrontatie met een slachting. Als kind heb ik wel eens kippen en konijnen de revue zien passeren. Af en toe ook een varken of een schaap maar dat is ondertussen toch alweer even geleden.
Carmen knielt neer ter hoogte van zijn keel. Zijn zware hoofd wordt achteruit getrokken. Ik zie zijn oog even open gaan. Wazig en dof. Gevuld met het troebele vocht van de dood. Alsof hij instemt met wat komen gaat sluit hij langzaam zijn ogen. Carmen tast zijn strot af. Voelt met haar vingertoppen, gaat op zoek naar de halsslagader. Haar hand stopt. Ze klemt het vel van zijn keel stevig vast. Haar andere hand brengt de punt van het mes tot op enkele centimeter van haar vingertoppen. Met één beweging dringt het staal diep in het beest. Zijn ogen breken open. De muil brult. Een siddering golft doorheen zijn lijf. Zijn poten rukken aan het touw. Genaro's knie duwt zijn kop tegen de keien. Zijn dikke bolle ogen puilen uit. Wijd opengesperde pupillen kijken wanhopig naar beneden, naar de gloeiende pijn in zijn keel. Zandkorrels stuiven op onder zijn neusgaten.
Het mes van Carmen scheurt doorheen zijn huid. De stenen kleuren rood. Langs de scheur verdwijnt het met bloed besmeurde lemmet opnieuw in zijn keel. Heel diep deze keer. Lijf en leden trillen. Pijn weerklinkt in de schreeuw. Gorgelende geluiden stijgen op vanuit het gapende gat. Carmen’s hand schuift naar binnen om de slagader open te houden. Opdat het snel voorbij zou zijn. Uiteindelijk zakken zijn oogleden dicht. Kracht vloeit weg uit zijn lichaam. Spieren worden slap. Zijn neus blaast geen zandkorreltjes meer weg nu. Het is wachten tot het gereutel in zijn keel eindelijk stopt. Het lijkt wel een eeuwigheid te duren.
Het schaterlachen van de spelende kinderen brengt me terug. Terug naar hun wereld. Want zo gaat dat hier. Geen plaats voor sentimenteel medeleven. Praktisch en snel, de gewoonste zaak van de wereld. Niet verborgen achter de muren van slachthuizen om onze tere zieltjes te sparen. Dit is het leven zoals het is. Doden om zelf te overleven. Niet meer, niet minder. Sommige van de kinderen (vooral de jongens) volgen het gebeuren van heel nabij. De anderen zijn al lang weer aan het spelen.
.JPG)
Het uitbenen en versnijden neemt uren in beslag. Wanneer de huid van de gewonde schouder wordt gestroopt is een massa gele blubber zichtbaar. “Van de ontsteking” zegt Genaro “dat mogen we niet opeten.” Bloederige lappen vlees liggen en hangen in de blakende zon.
.JPG)
De jongens halen vislijnen met extra grote haken boven. Deze kans om met grote verse stukken aas te vissen laten ze niet links liggen. Ik doe mijn best maar ook deze keer zonder resultaat. In het schemerdonker brengen we de laatste kruiwagen met vlees naar de hut van Lidia. Bergjes versneden stier liggen op de grond in de keuken. In het licht van het vuur dansen massa’s vliegen en andere gevleugelden rondjes boven al dat lekkers. “Jullie eten toch vlees?” vraagt Lidia. “Ja hoor” antwoorden we. Met een flinke haal snijdt ze een ferm stuk af en laat het knisperen in de hete pan. Anita en ik kijken elkaar aan. “Als het goed gebakken is...” zeg ik stilletjes en weinig overtuigend. Het is taai, een beetje lastig zo zonder mes maar het smaakt. In het licht van enkele kaarsen zijn de vrouwen ondertussen al volop het vlees aan het inzouten. Met een gemiddelde jaartemperatuur van meer dan 26°C en geen ijskast of diepvriezer in kilometers omtrek, is dat de enige manier om vlees wat langer te bewaren. Samen met de kinderen zitten we buiten op een matje. Genaro verontschuldigt zich. "We zullen waarschijnlijk nog tot een flink stuk in de nacht moeten doorwerken en zullen morgen pas het woud kunnen intrekken." "Geen probleem" antwoorden we "dat begrijpen we maar al te goed. Als er iets is dat we kunnen doen?” Zoals steeds wordt ons aanbod om te helpen vriendelijk afgewezen. Hij zit er echt mee want regelmatig komt hij even bij ons zitten om een (stuk) van een verhaal te vertellen. Over de sjamanen die een drankje uit het woud drinken dat hen wijsheid geeft en zo weten welke planten iemand nodig heeft om te kunnen genezen. Hij neemt ons zelfs even mee om op zoek te gaan naar een boom waarvan de schors licht geeft in het donker. Een beetje gênant eigenlijk omdat we weten dat hij nog erg veel werk heeft. Dus zeggen we dat we moe zijn en gaan slapen. Weer spreiden we onze slaapmat in het schooltje. Onder het muskietennet kijken we op de display van het fototoestel naar de buit van de voorbije dagen. We bedekken elkaars beten met een dunne laag zalf in de hoop dat de jeuk even wegblijft. Zachtjes keuvelen we nog wat na over de gebeurtenissen van de voorbije dag. Naast ons in het kippenhok horen we de kippen zachtjes kakelen alsof ook zij nood hebben om hun wedervaren even met elkaar te delen. Dat doet er ons trouwens aan denken dat we onze oordopjes moeten klaar houden. Uit ervaring weten we dat de haan een slecht karakter heeft of toch op zijn minst geen gevoel voor timing. Terwijl Anita haar gevoelens aan haar dagboek toevertrouwt reis ik naar 'el mundo de mis sueños'.
.JPG)
Naar: La luna llena sobre el río Quiquibey - FIN